Je bent je ingevulde velden bij deze pagina aan het verwijderen. Ben je zeker dat je dit wilt doen?
You are erasing your filled-in fields on this page. Are you sure that is what you want?
Nieuwe Versie BeschikbaarNew Version Available
Er is een update van deze pagina. Als je update naar de meest recente versie, verlies je mogelijk je huidige antwoorden voor deze pagina. Hoe wil je verdergaan ?
There is an updated version of this page. If you update to the most recent version, then your current progress on this page will be erased. Regardless, your record of completion will remain. How would you like to proceed?
Deze open-source cursus is in ontwikkeling. De aanbevelingen van leerlingen om
dit materiaal te verbeteren zijn erg welkom via info@wiskunde.opmaat.org Dit kan gaan over:
Een voorbeeld dat onduidelijk is.
Onnauwkeurigheden, schrijffouten, ...
Een tussenstap die beter uitgelegd moet worden.
Een uitleg die je op youtube, wikipedia of aan de kersttafel gevonden hebt
die ophelderend was.
...
Welk lichaam is verantwoordelijk voor de middelpuntzoekende kracht in de
onderstaande gevallen? Noem eveneens waar het mogelijk is, de naam van de kracht
die de middelpuntzoekende kracht levert bij:
(a)
de modder op de buitenomtrek van een draaiend fietswiel;
(b)
een trein die een bocht neemt;
(c)
een auto die een bocht neemt bij een horizontaal wegdek;
(d)
het ronddraaien in een horizontaal vlak van een steen aan een touw;
(e)
de verandering van de stroomrichting van het water in een bocht van een
rivier;
(f)
een persoon in een ronddraaiende ton waarvan de bodem weggezakt is;
(g)
de beweging van de maan op haar baan rond de aarde;
(h)
de beweging van de elektronen rond de kern in een atoom.
Een steen wordt aan een touwtje rondgeslingerd met een snelheid die in grootte
constant is.
(a)
/2Heeft de steen een
versnelling?
(b)
/2Ondervindt de steen een resulterende
kracht?
Welke snelheid moet een achtbaanwagentje bovenaan in een lus minstens hebben,
willen de passagiers niet naar beneden vallen? Neem aan dat de kromtestraal van de
lus \(7\mathord {,}0\) \(\mathrm {m}\) bedraagt.
De snelheid moet groot genoeg zijn zodat de zwaartekracht er niet in slaagt de
passagiers sneller uit de bocht te trekken dan noodzakelijk. Hoe trager de passagiers
gaan, hoe minder groot de middelpuntzoekende kracht moet zijn om die beweging tot
stand te brengen.
Bij een snelheid die groot genoeg is, helpt de normaalkracht (door de wagentjes op de
passagiers uitgeoefend) de zwaartekracht om een middelpuntzoekende kracht te
genereren. De minimale snelheid vinden we dan ook wanneer de normaalkracht
wegvalt en enkel de zwaartekracht de middelpuntzoekende kracht levert. Uit \(\vec {F}=m\vec {a}\) volgt
Een munt met een massa van \(3\mathord {,}0\) \(\mathrm {g}\) ligt op een blokje van \(20\mathord {,}0\) \(\mathrm {g}\). Het geheel ligt op een
draaiende schijf op \(12\mathord {,}0\) \(\mathrm {cm}\) van de rotatieas. Als de wrijvingscoëfficiënt tussen de munt en
het blokje \(0\mathord {,}52\) is, en de wrijvingscoëfficiënt tussen het blokje en de schijf \(0\mathord {,}75\) is, welke
hoeksnelheid mag de schijf dan maximaal hebben zodat noch de munt noch het
blokje wegschuift?
De middelpuntzoekende kracht die nodig is om de objecten te laten ronddraaien,
wordt door de wrijvingskracht geleverd. De maximale grootte hiervan wordt gegeven
door \(\mu F_n\). De hoeksnelheid die we nog net kunnen aanhouden zonder dat de massa’s
schuiven, vinden we met de tweede wet van Newton, \(\vec {F}=m\vec {a}\):
Hierin hebben we gebruikt dat de massa’s in de verticale richting niet versnellen en
dus de normaalkracht op de massa’s even groot is als de zwaartekracht op die
massa’s. Ook hebben we gebruikt dat de versnelling van een object dat een eenparig
cirkelvormige beweging uitvoert, gegeven wordt door \(a=r\omega ^2\).
Omdat de massa geen rol (De massa speelt geen rol omdat hij niet in de formule
voorkomt. Dat is een hard wiskundig argument. Een kwalitatieve uitleg is dat voor
een grotere massa weliswaar een grotere middelpuntzoekende kracht nodig is maar
dat de normaalkracht ook evenredig groter wordt met de massa, en dus ook de
wrijvingskracht.) speelt in deze formule, bepaalt de kleinste \(\mu \) de maximale
hoeksnelheid:
Een bestuurder van een auto met een massa van \(1000\) \(\mathrm {kg}\) rijdt aan een snelheid in grootte
gelijk aan \(10\) \(\mathrm {m}/\mathrm {s}\). Hij probeert een horizontale bocht, met een straal van \(100\) \(\mathrm {m}\) te nemen. De
maximale wrijvingskracht tussen de banden en de baan is \(900\) \(\mathrm {N}\). Kan de auto deze bocht
nemen of zal hij beginnen slippen?
De auto zal slippen in de bocht. Omdat we de snelheid en de straal kennen, kunnen
we de versnelling van de gewenste cirkelbeweging berekenen. Met de tweede wet van
Newton vinden we de (middelpuntzoekende) kracht nodig om deze versnelling te
kunnen veroorzaken:
Dit is meer dan wat de grond maximaal op de wielen kan uitoefenen. De auto zal dus
beginnen slippen.
Realiseer je dat de wrijvingskracht door de grond op de auto wordt uitgeoefend en de
resulterende kracht vormt. Het is dan ook de middelpuntzoekende kracht.
De
auto duwt met zijn wielen dwars ten opzichte van de snelheid tegen de grond en de
grond duwt terug. In de figuur beweegt de auto het vlak van de tekening in en
neemt de auto een bocht naar links (in de richting van de wrijvingskracht).
Een cirkelvormige renbaan is onder een helling van \(30\)\(\mathrm {\TextOrMath {\textdegree }{{}^{\circ }}}\) gebouwd. De straal van de cirkel
is \(50\) \(\mathrm {m}\). Met welke snelheid moet een auto rijden om in de baan te blijven? Veronderstel
dat de baan spekglad is.
De krachten die op de auto aangrijpen, zijn de zwaartekracht en de normaalkracht.
In de \(y\)-richting is er geen versnelling omdat de auto in een horizontaal vlak beweegt.
We kiezen dan ook een assenstelsel met de \(y\)-as verticaal georiënteerd. De \(x\)-as kunnen
we in de richting van het centrum van de cirkel nemen.
De \(y\)-component van de
normaalkracht moet dus even groot zijn als de zwaartekracht. De \(x\)-component van de
normaalkracht is dan ook de resulterende kracht en levert de middelpuntzoekende
kracht. De \(x\)-component van de normaalkracht kunnen we m.b.v. de hoek en de
zwaartekracht schrijven.
De gegevens invullen levert een snelheid van \(17\) \(\mathrm {m}/\mathrm {s}\).
Op een draaitafel draait met een constante hoeksnelheid een grammofoonplaat. Twee
muntstukken A en B zijn op zo’n plaats van het middelpunt van de draaitafel
geplaatst dat zij nog net niet wegschuiven. Voor muntstuk A bedraagt de afstand tot
de rotatieas dan \(6\) \(\mathrm {cm}\) en voor B is het dan \(12\) \(\mathrm {cm}\). \(m_a\) en \(m_b\) zijn de massa’s van respectievelijk de
muntstukken A en B. \(\mu _a\) en \(\mu _b\) zijn de wrijvingsfactoren tussen de muntstukken en de
grammofoonplaat.
Welke gevolgtrekking m.b.t. de massa’s en de wrijvingsfactoren is juist?
De wrijvingskracht tussen de muntjes en de draaitafel moet voor de
middelpuntzoekende kracht op de muntjes zorgen. Als de muntjes nog nét niet
wegschuiven, mogen we de formule \(F_w=\mu F_n\) voor de wrijvingskracht gebruiken. Dit levert,
met \(F_n=F_z=mg\):
Een speelgoedwagentje beweegt in een horizontale cirkel met straal \(2l\) en heeft een tijd \(T\)
nodig om een volledige cirkel te beschrijven. Dit kan omdat aan het wagentje een veer
vastgemaakt is. De lengte van de veer in niet uitgerekte toestand is \(l\). Het
wagentje versnelt waarbij de straal van de beschreven cirkel gelijk wordt aan
\(3l\).
De tijd die het wagentje nu nodig heeft om een volledige cirkel te beschrijven is dan
gelijk aan:
Een jongeman neemt plaats tegen de wand van een cilindervormige ton met straal \(R\).
De ton begint te draaien. Als de ton een bepaalde hoeksnelheid \(\omega \) heeft bereikt, zakt
de bodem van de ton. De jongeman glijdt hierbij niet naar beneden.
De
minimale wrijvingsfactor \(\mu \) tussen de wand van de ton en de jongeman wordt gegeven
door:
Op de jongeman moet een resulterende kracht naar het centrum aangrijpen, wil hij
een eenparige cirkelbeweging maken. Wie levert die kracht? ... De ton moet hem
’steeds naar het centrum duwen’. Dus de normaalkracht door de wand van de ton op
de man uitgeoefend, is de middelpuntzoekende kracht. De zwaartekracht zal de man
naar beneden trekken, dus moet er een wrijvingskracht tussen de man en de wand
van de ton zijn, wil de man niet vallen. Deze wrijvingskracht moet even groot zijn als
de zwaartekracht en verticaal omhoog zijn gericht. Als de man nog nét niet valt,
geldt \(F_w=\mu F_n\).